DW-A en RW-O’: droogweerafvoer en regenwater ophouden?

Situering

In de natuurlijke toestand, die we vooral in de bovenstroomse gebieden nog op een aantal plaatsen aantreffen, vervoeren beken en rivieren enkel de brondebieten en het hemelwater, dat van de onverharde oppervlakken stroomt.

In gebieden waar nog geen riolering is aangelegd die aangesloten is op een waterzuiveringsinstallatie en zolang de bebouwing beperkt is, kunnen ook het afvalwater (na voorbehandeling) en het hemelwater van verharde opper­vlakken in beken en rivieren geloosd worden. Dankzij het zelfzuiverend vermogen van de waterlopen heeft een kleine hoeveelheid niet te sterk vervuild afvalwater immers geen groot effect op de globale waterkwaliteit. Wanneer de verharde oppervlakte veel kleiner is dan de onverharde, heeft het hemelwater dat ervan afkomstig is maar een beperkt effect op het totale debiet van de waterloop.

Als er meer bebouwing komt, ontstaat er een gemengd rioleringsnet, waarin al het water van een gebied – kwelwater, afvalwater en hemelwater van zowel verharde als onverharde oppervlakken – wordt opgevangen en rechtstreeks afgevoerd naar de dichtstbijzijnde waterloop.

Deze aanpak brengt nogal wat problemen met zich mee. In droge perioden wordt het afvalwater nauwelijks verdund. Natuurlijke waterlopen zijn open riolen geworden en vanwege de geurhinder worden heel wat beken overwelfd, waardoor de waterkwaliteit er nog op achteruit gaat. Omdat het hemelwater snel afgevoerd wordt, stijgen de piekdebieten in de waterlopen. Daardoor gaan die steeds vaker overstromen.

Het probleem van de slechte waterkwaliteit wordt met de uitbouw van zuiveringsinfrastructuur aangepakt. Collectoren brengen het rioolwater naar zuiveringsinstallaties, en pas na behandeling komt het effluent in beken en rivieren terecht. Omdat het rioleringsstelsel over het algemeen nog gemengd is, kan het bij hevige regenval het water niet verwerken. Vervuild water gaat dan overstorten in het oppervlaktewater. De inspanningen die gedaan worden om het oppervlaktewater te zuiveren, gaan zo grotendeels verloren. Omdat beken en rivieren bij felle regen al sterk gezwollen zijn, vergroot het overstortwater uit rioleringen ook de kans op overstromingen en wateroverlast. Bovendien kan verdund afvalwater niet efficiënt gezuiverd worden. Daarom halen rioolwater­zuiverings­installaties op gemengde stelsels vaak een laag rendement.

De aanleg van gescheiden stelsels met twee parallelle buizen lost deze problemen maar deels op. Naarmate afzonderlijke DWA-leidingen meer afvalwater en minder hemelwater aanvoeren, stijgt wel het rendement van de zuiverings­installaties en vermindert de overstortfrequentie. Het overstromingsrisico vermindert echter niet zolang het hemelwater langs RWA-leidingen onvertraagd in beken en rivieren terecht komt. Het hemelwater tijdelijk bufferen en vertraagd lozen kan soms een oplossing bieden, maar zulke oplossing is duur om overal systematisch toe te passen.

Drie debieten, drie benaderingen

Naargelang de oorsprong van het water moet een andere aanpak toegepast worden:

  1. afvalwater moet zo snel mogelijk en onverdund naar een zuiveringsinstallatie gebracht worden,
  2. brondebieten en hemelwater dat op natuurlijke wijze van onverharde oppervlakten stroomt, komt terecht in grachten, beken en rivieren,
  3. hemelwater dat op daken en verhardingen terechtkomt, infiltreert bij voorkeur ter plaatse of in de onmiddellijke omgeving in de bodem.

Afvalwater

Op het eigen terrein moet de eigenaar het afvalwater verzamelen en afvoeren, hetzij tot aan de grens van het openbaar domein, hetzij tot aan de individuele behandelingsinstallatie voor afwater (IBA).

Het zonerings­plan bepaalt of het afvalwater in een IBA gezuiverd wordt, een voorbehandeling vereist dan wel naar de riolering gevoerd wordt. Het rioleringsplan maakt deel uit van de aanvraag tot steden­bouwkundige vergunning, en de correcte uitvoering ervan maakt het voorwerp uit van een keuring.

Op het openbare domein wordt er een onderscheid gemaakt tussen de lokale rioleringen en de boven­lokale collectoren. Ter hoogte van de overgang van het lokale naar het bovenlokale stelsel bevindt zich het ‘omslagpunt’. Dit omslagpunt wordt bepaald op basis van een aantal criteria, waarvan het aangesloten aantal IE (inwonersequivalent) het belangrijkste is.

Het openbare afvalwaterstelsel begint aan de perceelgrens en eindigt waar het effluent in de water­loop geloosd wordt. Om de effluentleiding zo kort mogelijk te houden, worden waterzuiverings­installaties bij voorkeur in de nabijheid van een water­loop gebouwd.

Als de waterzuiveringsinstallatie enkel afvalwater verwerkt, heeft het effluent een vrijwel constant debiet. Het kan rechtstreeks in de waterloop geloosd worden. Als de waterzuiveringsinstallatie bevoorraad wordt door een gemengd stelsel, zijn zowel het instromend als het uitstromend debiet aan grote schommelingen onderhevig. Op de effluentleiding moet dan ten laatste ter hoogte van de lozing in de waterloop een buffervoorziening met debietbegrenzer gebouwd worden.

Voor het beheer van de installaties wordt een onderscheid gemaakt tussen lokale en bovenlokale infrastructuur.

De lokale saneringsinfrastructuur bestaat uit de gemeentelijke rioleringen (droogweerafvoer of DWA-stelsel), met inbegrip van de kleinschalige water­zuiverings­installaties (KWZI) die op het lokale stelsel gebouwd zijn. Op plaatsen waar geen lokaal rioleringsstelsel aanwezig of gepland is, bestaat het lokale afvalwater­stelsel uit individuele voorbehandelingsinstallaties (bv. Septische put) of IBA’s (installaties voor individuele behandeling van afwater)[1]. Volgens de bepa­lin­gen van het programmadecreet van december 2004 moet de drink­water­maat­schappij met de gemeente een overeenkomst sluiten om aan de gemeentelijke sanerings­verplichting te voldoen. De gemeente beslist echter autonoom door wie ze de gemeentelijke saneringsverplichting laat uitvoeren:

–          de gemeente zelf of een gemeentebedrijf,

–          de drink­water­maatschappij,

–          een inter­gemeentelijk samen­werkings­verband, of

–          een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit.

De meeste gemeenten hebben het beheer toevertrouwd aan een inter­gemeen­telijke samen­werking of aan hun drink­water­maatschappij. Sommige drink­water­maatschappijen werken samen met  Aquafin.

De bovenlokale saneringsinfrastructuur bestaat uit de grote collectoren, sommige kleinschalige water­zuiverings­installaties (KWZI) en alle riool­water­zuiverings­installaties (RWZI). De aanleg en het beheer van de bovenlokale saneringsinfrastructuur heeft het Vlaams gewest aan Aquafin toevertrouwd.

Brondebieten en hemelwater van onverharde oppervlakten

Het waterlopenstelsel vormt een aaneengesloten en samenhangend geheel van kleine en grote beken en rivieren, waarin de brondebieten en het afspoelend hemelwater van de onverharde oppervlakken opgevangen en geleidelijk afgevoerd worden. Aan de basis ervan ligt het natuurlijk waterlopenstelsel, dat in de loop van de eeuwen ten gevolge van verschillende menselijke ingrepen minder of meer drastisch gewijzigd is.

De ‘droge valleien’ waarlangs het hemelwater van de landbouwpercelen stroomt en de meest stroom­opwaarts gelegen grachten behoren tot het privéterrein. Op landbouwpercelen versnellen steile hellingen en onaangepaste teelttechnieken het afstromen van hemelwater, maar veroorzaken ook modderoverlast en overmatige sedimentafzetting in waterlopen. Om de schade te beperken zijn bronmaatregelen nodig, in de vorm van aangepaste teelttechnieken en klein­schalige erosie­bestrijdings­maatregelen.

Het beheer van grachten is een taak van de eigenaars en gebruikers van de percelen waarop die grachten liggen. Waar het beheer van het grachtenstelsel kritisch[2] is, hebben de eigenaars en gebruikers zich verenigd om dat beheer gezamenlijk te organiseren: zij hebben er polders en wateringen opgericht.

De bovenlopen van de waterlopen zijn zeer gevoelig voor korte, hevige onweders. Meer stroom­afwaarts overschrijden vooral langdurige regenperioden de capaciteit van het water­lopen­stelsel overschrijden, zodat de waterlopen over­stromen en er wateroverlast ontstaat.

Het waterlopenbeheer houdt rekening met de kenmerken van het stelsel en met bestaande hydro­grafische indelingen. Omdat het waterlopenstelsel een aaneen­geslo­ten en samenhangend geheel vormt, is het per definitie bovengemeentelijk.

In het waterlopenbeheer wordt een onderscheid gemaakt tussen lokale beken en bovenlokale rivieren. Het ‘omslagpunt’ tussen bovenlokale en lokale waterlopen wordt bepaald op basis van de en aantal specifieke kenmerken, zoals de aanwezigheid van infrastructuur voor de beperking van het overstromingsrisico. Waar er geen andere criteria zijn, ligt het omslagpunt waar het waterbekken 5.000 hectare bedraagt.

Bovenlokale waterlopen zijn in de eerste categorie gerangschikt en worden beheerd door de Afdeling Operationeel Water­beheer van de Vlaamse Milieumaatschappij. De meeste lokale waterlopen ervan zijn in de tweede categorie gerangschikt en worden beheerd door de provincies.

Een klein aantal lokale waterlopen is in de derde categorie gerangschikt en wordt beheerd door de gemeenten. In het werkingsgebied van polders en wateringen beheren deze besturen, behalve de niet-gerangschikte grachten, ook de waterlopen van de eerste en de tweede categorie.

Hemelwater van verharde oppervlakten

Er bestaat geen behoefte aan een samenhangend hemelwaterstelsel, vergelijkbaar met de afvalwater­infrastructuur of het waterlopen­stelsel: hemelwater van verharde oppervlakten wordt immers beter niet verzameld en afgevoerd. Aangepaste hemelwatervoorzieningen hebben tot doel het hemel­water zoveel mogelijk ter plaatse nuttig te gebruiken of in de bodem te laten infiltreren. Enkel als nuttig gebruik en infiltratie onmogelijk zijn, kan hemelwater vertraagd afgevoerd worden naar een waterloop.

Op het eigen perceel moet de eigenaar het hemelwater behandelen overeenkomstig de bepalingen van de hemelwaterverordeningen. In principe wordt het opgevangen hemelwater op het perceel nuttig gebruikt of geïnfiltreerd. In sommige gevallen kan een beperkt hemelwaterdebiet vertraagd afgevoerd worden naar het openbaar domein. Ook het nood­over­stort­water van rioleringen kan op het openbaar domein terecht komen.

De Code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen bepaalt wat er op het openbaar domein met het hemelwater moet gebeuren, dat afkomstig is van de verhardingen op het openbare domein en van de vertraagde afvoer of de overloop van de aanliggende percelen. Ten laatste op het lozingspunt in de waterloop wordt een debietbegrenzer gebouwd.

Hemelwatervoorzieningen op het openbaar domein zijn per definitie lokaal: infiltratievoorzieningen worden zo dicht mogelijk bij de opvangpunten aangelegd en de (uitzonderlijke) verbindingen naar de waterloop worden zo kort mogelijk gehouden. Daarom worden ze gebouwd en beheerd door de gemeente, of door een waterketen­bedrijf dat door de gemeente is aangesteld, ter uitvoering van het gemeentelijk hemelwaterplan. Dat plan brengt de lokale knelpunten in kaart en legt vast welke hemelwatervoorzieningen er nodig zijn en waar die gebouwd kunnen worden.

Uitdagingen

Het waterbeheer staat in de volgende jaren voor grote uitdagingen, in het bijzonder wat betreft de aanpak van het hemelwater. Zoals het er nu immers naar uitziet, zal de bebouwde en verharde oppervlakte nog verder blijven toenemen. Tegelijk geven de klimaatmodellen aan dat er zowel langere regenperioden zullen voorkomen in de winters, als hevigere onweren in de zomers. Anderzijds leiden grondwaterwinning en drogere zomers tot snellere uitputting van de grondwaterreserves.

Om meer water van meer verharde oppervlakten aan te kunnen, volstaat een projectmatige aanpak geval-per-geval al lang niet meer: het wordt dringend tijd om een totaalaanpak uit te werken in gemeentelijke hemelwaterplannen.

Het ontwerp en de inrichting van hemelwatervoorzieningen moet meer aandacht krijgen dan vandaag het geval is: het volstaat niet een tweede buis te leggen naast de afvalwaterleiding of het bufferen van regenwater als een randvoorwaarde in een rioleringsproject op te nemen.

Om een aangepaste hemelwaterbenadering te beschrijven, ontbreekt vandaag zelfs de terminologie.

De term regen­water­afvoer of RWA is verwarrend: regenwater moet immers niet afgevoerd worden, maar ter plaatse of in de onmiddellijke omgeving in de bodem infiltreren om de grondwaterreserves aan te vullen, of nuttig gebruikt worden, zodat we minder grondwater moeten oppompen. Dus, regenwater Ophouden (RWO) i.p.v. Afvoeren (RWA). De uitdrukking gescheiden rioleringsstelsel is evenmin correct: hemelwater past niet in een riolering, en ook niet in een samenhangend ‘stelsel’. Het uitwerken van aangepaste hemelwatervoorzieningen verdient ook meer aandacht dan één hoofdstuk in de ‘Code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van rioleringssystemen’.

Voor de uitvoering van de maatregelen uit het gemeentelijk hemelwaterplan komt er best een specifieke Code van goede praktijk voor het ontwerp, de aanleg en het onderhoud van hemelwatervoorzieningen.

 

[1] In enkele gemeenten moeten de particulieren zelf IBA’s aanleggen en onderhouden, maar dat blijkt eerder uitzondering dan regel. De meeste gemeenten en rioleringsbeheerders zijn het erover eens dat de aanleg en het beheer van IBA’s tot hun takenpakket behoort.

[2] Het beheer van het bovenstroomse afwateringsstelsel kan kritisch zijn omdat delen ervan zo laag gelegen zijn dat een gravitaire afvoer niet of niet permanent mogelijk is. Dat is bijvoorbeeld het geval in poldergebieden, waar het water­lopen­stelsel getijdenafhankelijk is. Elders kan een aangepast en zorgvuldig beheer nodig zijn omdat de bodem bestaat uit klei of leem, die slechts door drainering of een fijnmazig grachtenstelsel bruikbaar is voor landbouwdoeleinden.