De door artikel 20 van het KB nr. 1 ingevoerde regeling legt de medecontractant van de in BelgiÎ gevestigde leverancier van de goederen of de dienstverrichter de verplichting op zelf de verschuldigde belasting te voldoen, wanneer:

1. die medecontractant een in BelgiÎ gevestigde belastingplichtige is die voor de voldoening van de btw periodieke btw-aangiften indient of een niet in BelgiÎ gevestigde belastingplichtige is die hier te lande overeenkomstig artikel 55, ß 1 of ß 2 van het btw-wetboek een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen;

2. de handelingen die het voorwerp uitmaken van het contract behoren tot de in ß 2 van dat artikel 20 aangeduide handelingen;

3. de geleverde goederen en de verstrekte diensten door de medecontractant worden gebruikt in het kader van zijn economische activiteit.

De medecontractant van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter wordt dus in de plaats gesteld van deze laatste voor de voldoening van de belasting.

Binnen deze grenzen en voorwaarden vervangt artikel 20 van het KB nr. 1 de gewone wijze van de voldoening van de belasting door een stelsel van verlegging van de heffing: de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter, is zelf gehouden tot de voldoening van de belasting.

Wanneer de goederen en diensten, die handelingen uitmaken als beoogd in ß 2 van artikel 20, door de medecontractant van de leverancier van de goederen of de dienstverrichter gebruikt worden voor de uitoefening van zijn economische activiteit waarvoor hij gedeeltelijk gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften, moeten deze handelingen steeds het voorwerp uitmaken van een verlegging van heffing van de belasting in de hoofde van de medecontractant en bijgevolg opgenomen worden in zijn periodieke aangifte, zelfs wanneer de geleverde goederen of verstrekte diensten uitsluitend gebruikt worden voor het gedeelte van de economische activiteit waarvoor hij niet gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften.

Onder werk in onroerende staat dient, voor de toepassing van het btw-wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten, te worden verstaan het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanig wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.

De handeling waarbij een roerend goed wordt geleverd dat niet wordt ingelijfd in een gebouw of in een ander uit zijn aard onroerend goed, maar dat op eenvoudige wijze wordt vastgemaakt aan een gebouw, is geen werk in onroerende staat bedoeld in artikel 19, ß 2, van het btw-wetboek. De bijzondere regeling van de verlegging van de heffing die door artikel 20 van het KB nr. 1 werd ingevoerd kan op deze handeling dan ook niet toegepast worden, tenzij in de in ß 2 van dit artikel op een beperkende wijze opgesomde gevallen.

Aldus blijven machines, toestellen en apparatuur, in het bijzonder voor industriÎle installaties, of voorwerpen voor dagelijks gebruik, voor normale uitrusting of versiering, in beginsel roerend, ten hoogste worden ze onroerend door bestemming. De door artikel 20 ingevoerde regeling is dus niet van toepassing op de handeling waarbij een dergelijk goed geleverd en aan een gebouw aangehecht wordt, zelfs wanneer dit aanhechten een werk in onroerende staat van geringe omvang vereist, tenzij het een handeling betreft die uitdrukkelijk bedoeld is in ß 2, 1 of 2 van dit artikel 20.

Cijfervoorbeeld:

Indien de kostprijs van de rioleringswerken 100.000 EUR bedraagt exclusief btw zal de aannemer een factuur dienen te maken waarbij de gemeente 100.000 EUR dient te betalen aan de aannemer. De gemeente dient een bedrag van 21.000 EUR op te nemen in haar btw-aangifte zowel bij de verschuldigde btw als bij de aftrekbare btw. Per saldo betaalt de gemeente geen btw. De afgetrokken btw is wel aan de herzieningsregeling onderworpen.