Wanneer een belastingplichtige voor zijn economische activiteit werk in onroerende staat uitvoert, wordt deze handeling krachtens artikel 19, ß2, 1∞ W. btw, gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel.

Gemeenten moeten op grond hiervan zichzelf btw aanrekenen voor het werk in onroerende staat dat door eigen personeel wordt verricht in het kader van hun economische activiteit als belastingplichtige.

De belasting zal verschuldigd zijn over de prijs van de dienst die wordt bepaald door de prijs die onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen kan worden verkregen. De gemeente dient een stuk op te maken aan zichzelf voor de normale waarde van de werken en daarover btw voldoen. Dit stuk dient enerzijds behandeld te worden als een uitgaande factuur en anderzijds als een aankoopfactuur. De aankoopfactuur dient opgenomen te worden in de tabel van de bedrijfsmiddelen. Aangezien het werk betrekking heeft op onroerende bedrijfsmiddelen die worden gebruikt voor de exploitatie van de riolering mag de gemeente de btw eveneens in aftrek brengen.

Cijfervoorbeeld:

Indien de gemeente eigen werk in onroerende staat uitvoert voor een objectieve waarde van 100.000 EUR exclusief btw zal de gemeente een stuk aan zichzelf dienen op te maken, verhoogd met 21.000 EUR btw. De gemeente dient een bedrag van 21.000 EUR op te nemen in haar btw-aangifte zowel bij de verschuldigde btw als bij de aftrekbare btw. Per saldo betaalt de gemeente geen btw. De afgetrokken btw is wel aan de herzieningsregeling onderworpen.