De btw-administratie neemt het standpunt in dat de Gemeente pas btw-plichtige wordt vanaf het sluiten van de overeenkomst met de drinkwatermaatschappij.

Dit werd bevestigd in Beslissing nr. E.T.110.925 dd. 28.03.2006 en nogmaals in het antwoord van de minister van FinanciÎn op een mondelinge vraag van Volksvertegenwoordiger Luk Van Biesen op 9 mei 2006.

De gemeenten hebben degelijke argumenten om de stelling te kunnen verdedigen dat zij de hoedanigheid van btw-plichtige hebben verkregen op 1 januari 2005. Een aantal gemeenten hebben hierover intussen ook een akkoord van hun btw-controleur. Andere botsen op een weigering.

In de eerste plaats treden de meeste overeenkomsten met de drinkwatermaatschappijen met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2005.

De btw-administratie is kennelijk van oordeel dat overeenkomsten met terugwerkende kracht geveinsd zijn omdat diensten niet met terugwerkende kracht zouden kunnen worden verstrekt.

Het Hof van Cassatie stelde in haar arrest van 5 maart 1999 (FJF 99/93) dat er van simulatie pas sprake kan zijn indien de partijen de gevolgen van hun overeenkomst niet honoreren. Zulks is vanzelfsprekend geenszins het geval. De prestaties zijn effectief door de gemeenten geleverd en de vergoeding voor deze prestaties wordt effectief door de drinkwatermaatschappij betaald.

Een volgend argument voor de gemeenten om het standpunt, dat de belastingplicht aanvangt op 1 januari 2005, te blijven handhaven, is gelegen in de indirecte gevolgen van dit standpunt van de btw-administratie.

De btw-administratie betwist dat de gemeenten belastbare handelingen hebben gesteld vÛÛr de ondertekening van de overeenkomst met de drinkwatermaatschappij. Nochtans zal de drinkwatermaatschappij ook voor de periode van 1 januari 2005 tot de datum van het sluiten van de overeenkomst een vergoeding betalen voor de saneringsactiviteit door de gemeenten. Die vergoeding wordt ook doorgerekend in de drinkwaterprijs die de consument betaalt.

Vervolgens moet worden benadrukt dat het standpunt van de btw-administratie indruist tegen de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie inzake aanvang van de btw-plicht en recht op aftrek.

De persoon, die door ondubbelzinnige daden de wil uit geregeld in het btw-wetboek bedoelde handelingen te verrichten, inzonderheid door het in werking stellen van een organisatie waarbinnen geregeld leveringen of diensten zullen worden verricht, verkrijgt de hoedanigheid van belastingplichtige zodra hij die daden heeft gesteld. (Arresten Rompelman, Ghent Coal Terminal en INZO)

Toegepast op de situatie van de gemeentebesturen moet worden erkend dat het programmadecreet van 24 december 2004 de gemeentebesturen minstens impliciet verplicht om een overeenkomst te sluiten met de drinkwatermaatschappij. Bovendien hebben de gemeentebesturen vanaf 1 januari 2005 in diverse fora de problematiek onderzocht. Binnen deze fora werden enkel alternatieven besproken, die het verstrekken van btw-plichtige handelingen inhouden. Deze fora zijn onder meer de VVSG, de Interlokale vereniging voor waterbeleid in Vlaams Brabant, diverse verenigingen intergemeentelijke samenwerking, de drinkwatermaatschappijen, diverse conferenties van burgemeesters,…

In zijn antwoord op de mondelinge vraag van Van Biesen lijkt de minister te weinig oog te hebben voor de realiteit. De minister stelt dat de gemeenten geenszins verplicht zouden zijn om een overeenkomst te sluiten met de drinkwatermaatschappij omdat de drinkwatermaatschappij er ook voor kan kiezen om met andere partijen een overeenkomst te sluiten. Deze stelling lijkt de realiteit, dat de gemeenten thans de enig mogelijke partner voor de drinkwatermaatschappijen zijn, uit het oog te verliezen.

De minister voegt er aan toe dat de gemeenten er ook voor konden kiezen om niet btw-plichtig te worden door hun rioleringen over te dragen of ter beschikking te stellen zonder dienstverlening. Hierdoor zou hun keuze voor een btw-plichtige activiteit niet ‘ondubbelzinnig’ zijn en pas vast staan vanaf het sluiten van de overeenkomst. Ook deze stelling gaat duidelijk in tegen de realiteit, die er in bestaat dat elke gemeente, die niet wenste toe te treden tot een intergemeentelijk samenwerkingsverband, het verkrijgen van de hoedanigheid van btw-plichtige op het oog had. Dit blijkt met zoveel woorden uit ondermeer de talloze verslagen van interlokale verenigingen,…

Er zijn bijgevolg zeer zeker argumenten om de btw plicht van de gemeenten te erkennen vanaf 1 januari 2005.